In de serie De stand in het land gaat bestuursvoorzitter Bert Beun in gesprek met organisaties door het hele land over hun bijdrage aan mens, werk en economie. Dit keer: een interview met Jelle Boonstra, directeur Koninklijke CBM, branchevereniging voor interieurbouw en meubelindustrie en toezichthouder in Zorg & Welzijn. Over de meerwaarde van ondernemerschap waarin groei in balans is met liefde voor het product en ruimte is voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt.
Jelle Boonstra, lid van de adviesraad van de Goldschmeding Foundation is, na bijna negen jaar werkzaam te zijn geweest als directeur-bestuurder bij RegioPlus, terechtgekomen is in een relatief kleine, maar bijzondere branche: de Nederlandse interieurbouwsector en meubelindustrie. Branchevereniging Koninklijke CBM verzorgt ook het secretariaat voor de Nederlandse orgelbouwers, een kleine groep ambachtsmensen in ons land.
Een bijzondere branche vol vakmanschap
“Ik ben in een hele leuke en bijzondere branche terechtgekomen. Het is geen grote sector, maar wel een sector met een uniek karakter. Wat mij meteen opviel, is hoe sterk het ambacht en vakmanschap bepalend zijn voor de cultuur. Natuurlijk zijn ondernemers ook bezig met groei en winst, maar de liefde voor het product staat hoog op de agenda. Dat maakt de sfeer anders: soms hard tegen hard, maar ook collegiaal. Ondernemers helpen elkaar, zelfs als ze officieel concurrenten zijn.”
Ambacht versus technologie
“Die ambachtelijke basis is prachtig, maar de sector verandert snel. In het beroepsonderwijs ligt de nadruk nog veel op traditioneel meubel maken, terwijl onze leden juist mensen nodig hebben die met moderne machines en automatisering kunnen werken. Daar zit spanning: het oude ambacht blijft waardevol, maar het maakproces verandert. De creativiteit en het oplossend vermogen van vakmensen blijft nodig, alleen de gereedschappen veranderen.”
Versnippering en de noodzaak van een gezamenlijke visie
Binnen de sector bestaan veel verschillende gremia: instanties die zich bezighouden met onder andere de CAO, het opleidingsfonds en arbeidsmarktvraagstukken. Juist die versnippering maakt het volgens Boonstra lastig om één gezamenlijke koers te varen. “Die losse onderdelen wil ik meer samenbrengen. We werken nu met het bestuur aan een samenhangende visie op werken in de sector. Het woord ‘arbeid’ klinkt ouderwets, het gaat juist om mens en werk in een moderne economie. Samen met het onderwijs, werkgevers en andere partners wil ik die visie actualiseren.”
Regionale netwerken als motor voor ontwikkeling
Regionale samenwerkingsverbanden spelen daarbij een grote rol. Bedrijven halen daar hun leerlingen vandaan en zien veel potentieel personeel voorbijkomen. “Het zijn ondernemers uit de regio zelf, die belang hebben bij een goed draaiend systeem. Ze halen er hun studenten van de Beroepsbegeleidende Leerweg en nieuwe medewerkers vandaan. Je ziet dat zij elkaar kennen en dat dat vertrouwen oplevert. Als je dat doorontwikkelt naar een regionaal ecosysteem, kun je ook leven lang ontwikkelen beter vormgeven.”
Drie strategische pijlers voor de komende jaren
“We gaan ons de komende jaren richten op drie strategische pijlers: ondernemen, werken en verduurzamen. Ondernemers maken zich zorgen over de positie van de maakindustrie in Nederland. Kun je hier nog concurrerend produceren? Bij meubels is dat lastig, omdat import uit Azië goedkoper is. Bij interieurbouw ligt dat anders: daar wordt lokaal gewerkt en geïnstalleerd.
De tweede pijler, werken, raakt aan alles rondom de arbeidsmarkt: instroom, doorstroom en het aantrekkelijk houden van de sector. De derde pijler is verduurzaming. Circulariteit is essentieel. Met projecten als Matras Recycling Nederland en Woodloop werken we aan hergebruik van materialen. Dat vraagt ook iets van ontwerpers, die al in het ontwerpproces moeten nadenken over demontage en hergebruik.”
De veranderende markt: van maatwerk tot standaardisatie
De interieurbouwsector is de afgelopen tien jaar sterk gegroeid en veranderd. Interieurs in winkels, horeca, tandartspraktijken en zelfs cleanrooms laten zien hoe breed de sector is. Boonstra benadrukt dat interieurbouwers enerzijds maatwerk leveren – bijvoorbeeld complete inloopkasten of interieurprojecten voor jachten – maar anderzijds ook sterk gestandaardiseerde producten maken, zoals winkelinrichting voor supermarktketens.
Interessant is dat juist die standaardisatie ruimte biedt aan mensen met afstand tot de arbeidsmarkt. Sommige productieprocessen lenen zich goed voor instroom van nieuwe groepen, zoals statushouders of mensen uit de sociale werkvoorziening. Motivatie en vakmanschap wegen daarbij vaak zwaarder dan formele kwalificaties.
Familiebedrijven als stabiel fundament
Veel leden zijn familiebedrijven, vaak met lange samenwerkingen in de keten. Deze bedrijven denken generaties vooruit en hechten sterk aan betrouwbaarheid en continuïteit. Relaties tussen opdrachtgevers en interieurbouwers bestaan soms al tientallen jaren. Volgens Boonstra laat dit zien dat aandacht voor mensen, net zoals in de zorg, leidt tot meer betrokkenheid, lager verzuim en een sterk werkgeversmerk. “Het is een sector waarin de menselijke kant belangrijk blijft.”
Volg de reeks De stand in het land en ontdek hoe we met onze partners Samen werken aan beter.